april 17, 2008
april 13, 2008
april 9, 2008
april 1, 2008
Spinnenverdriet
In het hoekje van de kamer zit meneer spin,
een klein zwart, met acht poten, harig ding.
Klevend aan het behang in een ijverig gesponnen net
doet hij even een dutje in zijn kauwgomdradenbed.
Maar eens buiten windstil en in het hart van de nacht
gaat hij hongerig op zoek, op kleine meisjesjacht.
Hij tikt met zijn pootje tegen het hout van het bed aan.
Trippelt op het donsdeken in het licht van de maan.
Het koperrode meisje, zich van geen enkel kwaad bewust,
droomt net van een betoverende prins die haar kust
wanneer spin daar potsierlijk aan komt wippen
en in het kuiltje van haar kin kruipt, vlak aan haar lippen.
Durft hij het de blos op haar wangen weg te zoenen?
Hij krijgt geen tijd, ze opent haar ogen, olijfgroene
en ziet daar meneer in het kuiltje van haar kin.
Ze veert recht en schreeuwt : Ooh mijn god, een spin!
Hij kijkt haar op zijn beurt zo verleidelijk mogelijk aan.
Zij wil hem met één liefdevolle oogopslag platslaan.
Hij verschuilt zich net op tijd achter het bloemetjesbehang.
Zij staat te dansen als een paniekerige orang-oetang.
Hij had gehoopt op het begin van een mooi liefdeslied
Zij had dit bijna omgevormd tot een bloederig rampgebied.
Dan is de rust weergekeerd en meneer spin laat een traan.
Is dit nu het droevige lot van zijn kleurloos bestaan?
Tot het einde van zijn dagen verliefd op dit mensenkind.
Waarom is het geen vrouwtjesspin die hij bemint?
Och, liever laat hij zich platslaan door deze meid
dan dat een vrouwelijke achtpoot zijn kop erafbijt.







