Wanneer de wereld stopt met draaien
en sprookjes slechts bestaan
op een wolk van beddesprei
wanneer moeder en kind
in elkanders schoot neerzitten
(voor het slapengaan nog een laatste verhaaltje),
dan pluk ik een bloem
om ze te laten verwelken.
Of beter,
dan pluk ik alle bloemen
en laat ze verwelken.
Nee echt.
Dan vang ik een bij
in het glas van mijn limonade
tot ze sterft van de eenzaamheid
(en de hitte).
Of beter,
dan vang ik alle bijen
en laat ze sterven
in het glas van mijn limonade.
Nee nu serieus oprecht
en echt heel erg gemeend.
Wanneer de wereld stopt met draaien
en sprookjes slechts bestaan
in een hemelrijk van pluche
en zwarte kraaltjes
wanneer moeder en kind
in elkanders schoot neerzitten
(voor het slapengaan nog een laatste verhaaltje),
dan…
dan…
dan blaas ik de zon uit.
(En ik blies.)
Kronkelende lenterups,
een opgerold groen wormpje
op het nat van het bladgoud
geeft je een satijnen glans.
Fonkelende lenterups
knaagt aan het blad,
eet van mijn hart.
Kon ik je maar meenemen
en bewaren in een potje
onder mijn hoofdkussen.
Voor donkere dagen,
Voor dagen waarop ik de zon diep mis.
Mijn kronkelende fonkelende lenterups!
Helemaal alleen van mij…
Vier meeuwen dansen een Argentijnse tango boven mijn straat.
Enkele meters verder een geelgroen kattenoog dat hen gadeslaat.
Terwijl ze wacht, met zwiepende staart, voor zij beslist aanvalt,
duelleren de meeuwen voor een vierkantje wafel op ’t asfalt.
Met een trage buiging drukt de kat haar buik tegen de grond,
zet haar pupillen, in extase door het schouwspel, bolrond,
stoomt haar snorharen in een luttele seconde startklaar
terwijl de meeuwen verder strijden onbewust voor enig gevaar.
Eerst schat ze doordacht haar kansen en afstand in.
Dan waagt ze de sprong als een echte oorlogsheldin.
En terwijl ze denkt ‘t is met die meeuwen dra gedaan,
spant ze de spieren van haar achterste poten al aan,
schudt ze haar achterwerk koelbloedig behoedzaam
en beukt met haar snoet tegen het koude vensterraam.
32 jaar geleden smeet de ooievaar je in een mandje
- of 29 zoals je maar wil – hoog vloog ie, door wind en sneeuw.
Je beide ogen duizelden toen ze keken, net over het randje.
Het korfje zwiepte vervaarlijk, op het einde enkel een schreeuw.
Wat je je daarna herinnert, is een borst tegen je wangen,
een papa-stem, een mama-stem, van de ooievaar geen spoor.
Een tutter in je mond, klaar voor je droom en je verlangen,
kort teleurgesteld over die vogel die je uit het oog verloor.
En hier moet je aan de slag; er is hier werk dat op je wacht.
Je denkt nog zelden aan je chartervlucht in dat mandje
Maar die grote ooievaar was het toch die jij en mij bijeenbracht
Daarvoor verdient hij zeker en vast wel een bedanktje.
(En geef nu toe, dat heeft ook toch een prettig kantje)
Ze zei:
Lieve, mag ik jou wat vragen?
Kom een beetje dichterbij.
Mijn ziel fluistert nu al dagen:
“Houdt de Wereld nog van mij?”
Ik dacht…
Ik kan haar geen antwoord geven
en lig er ’s nachts vaak wakker van.
Want wat moet ze met dit leven?
Is er voor haar een zin aan dan?
Ze zei:
De Aarde is te hard voor haar,
een plaats vol tranen en verdriet,
veel moeite voor een mooi gebaar
waar niet veel goeds geschiedt.
Ik dacht…
Ik weet wel het ligt niet aan Jou,
maar zeg me, hoe krijg ik verteld
aan de ziel van deze vrouw
dat ’t kwaad in elk van ons verzeilt?
Laatst trachtt’ ik je ogen te vangen
terwijl ze keken naar een foto
als een schaduw op de grond,
heel ver weg in tijd en plaats.
Ze verlangden naar de rust,
naar je onbezonnen zelf.
Niet je staren maakte me bang toen,
wel door wie of wat je dwaalde.
Misschien, besefte ik pas toen,
doet het je teveel pijn
in een grillig licht te zien,
in een geest in rep en roer.
Ik zou eerst geduldig wachten
tot je ogen zich ontspanden,
je koffers uitgepakt weer hier
Maar het liep een beetje anders
want verdwaald zoals zij waren,
met een zoen als vlindernetje,
lokt’ ‘k hen beiden in de val.
